De jonge fietser

Allee, wind, strijk langs ander land!

Zo vloog de jonge fietser door wei en wind, langs man en steen, langs vrouw, vooral langs vrouw, zo waren zijn vervloekingen altijd speels van aard, als pratend tegen een oude vriend, beklagend liefhebbend.

Zeg, liefde, knijp niet zo hard.

Vlokkend ijs, hagel als vuur, trappen zat in zijn bloed, trappen was ritme, trappen was dansen, trappen was genoeg voor een tattoo. Met elke aanzet na elke pauze swingde de jonge fietser zijn heupen mee, werden zijn billen hoelahoeps, keek het asfalt, het gras, het grind en elk ander paar ogen smeulend toe, allee!

De jonge fietser reed tegen de richting in. Het grote brute vrachtwagenverkeer deerde hem niet. De ramen met hoogpolige boterhamarmen tierend in eng dialect deerden hem niet. Vederlicht schoot de jonge fietser langs stilstaande vlezige koppen gevang, rammelend, in hun zakken met bot, de wereld door een bril van gaas. De koppen keken en de jonge fietser keek niet terug. De jonge fietser fietste.

De jonge fietser reed over het voetpad tegen de richting in. De meute, daar in pak, in langgerekte jas, ingepakt in zak, vermoedelijk as, keek niet op, ook niet toen de jonge fietser belde en rammelde en piepend zigzagde. Pas toen de jonge fietser met rechte rug zijn tanden de wind gaf, zijn armen spreidde, zo net niet een wat wellustiger pak aanreed, kreeg hij weerwoord in de vorm van een iets minder wellustig pak, met een handjevol kleine, beschermende woorden, als volgt: wat moet dat hier?

De jonge fietser retourneerde de vraag.

Werk, vertelde het pak. Werk, vertelde een pak. Werk, smeulde een pak.

Werk, herhaalde de jonge fietser. Werk? De jonge fietser lachte. Werk! Hij zette weer eens aan, trapte er zo een stuk of wat voorbij. Hij trapte, schoot naar links, naar rechts, over dommeldal en langs zwaluwzang, viel hier en daar, schoot onderuit, sprong over dode takken en nam ze mee tussen zijn spaken. Werk, zei de jonge fietser, glimlachend. Werk! En zo ratelde zijn derailleur, zo werd zijn ros onder nieuwe zon langzaamaan van goud.

Zo ook verdween de menigte in zijn zog, zo werd werk vervuld, zo kwam de avond, zoetjes.

Komaan, lente, wuifde de jonge fietser, het is avond, waar is je geur, waar zijn je bloemen, waar is het zachte gras op zachte bries? De jonge fietser herhaalde het, lieflijk, richting de weilanden met vee. Hier was geen meute. Zijn rug ontspande. De jonge fietser keek naar het vee, keek rond, naar de kou en het weinig wuiven van de bomen en de jonge fietser lachte: de lente kwam, zo.

Vee lacht. Ha, koe, ha, paard. Ook voor jullie wat lente, toe.

Vee viert. Zie je de maan?

De avond was licht van aard. Wat nu schemering genoemd werd had tijd nodig. De jonge fietser trapte verder. De jonge fietser trapte dansend langs beek en molen, langs dood en leven, de jonge fietser trapte nog steeds langs vrouw, nu, zo moet gezegd, langs een bijzonder mooie vrouw. Achteruit kwamen zijn banden piepend tot stilstand, glimlachte de jonge fietser zijn tanden bloot boven de bretels van zijn vlugge helm, klikte een van zijn klikkers vast los.

Hallo!

De bijzonder mooie vrouw stond langs een vijver. De schemering was onderweg. Het was nog niet koud. De bijzonder mooie vrouw hield haar armen open voor de jonge fietser, lieflachend. Haar ogen waren volgens de jonge fietser op dat moment de maan en de zon, haar huid de kleur van brood. Elke moedervlek op haar vezelvolle armen een hoogtepunt, om na te jagen, om uit te stippelen, richting de rest van haar universum. Huppelend op dunne bandjes koos de jonge fietser een richting richting de bijzonder mooie vrouw, en vroeg:

Wat is je naam?

De bijzonder mooie vrouw lachte haar naam. De jonge fietser knikte, lachte, dook met fiets en al richting haar paar armen, totdat de bijzonder mooie vrouw plots een stap terugdeed. De jonge fietser hield met moeite zijn balans en zag de bijzonder mooie vrouw richting de vijver wijzen. Hij volgde haar ogen, zag meer vrouwen, ook mannen, zag vertier, zag warmte, zag lente, zag wijn, koffie, vlees, brood, zag tafels vol geluk, hoorde haar toen zeggen:

Dit is mijn vijver. Ze is niet groot, maar ze is warm, zonder wind, kalm, het riet niet scherp, de vissen tam. Dit is mijn vijver.

Met de onbalans nog in zijn voorhoofd heugde de jonge fietser zich zijn vijver, vroeger. Zijn vijver was groen en blauw en de lente, zijn vijver was bruisend en kermis en festival en zijn vijver was de zomer. Hij keek naar de bijzonder mooie vrouw. Nu werden de zon en maan in haar ogen zijn weerspiegeling, zag hij zijn eigen handen uitgestrekt richting andere vlugge vrouwen, die hij lang geleden meende te verleiden met een losbandige smoel en twee voeten als betonblokken. Ze was elke keer voorgoed van goud, van hem, niet voor even.

De jonge fietser herinnerde zich de meerdere keren niet voor even, herinnerde zich ook zijn oude gewrichten, zijn pijntjes hier en daar, zijn gestolen slippers, het kapotte eelt op fitnesshanden, vooral zijn katers, zijn niet-slapen, zijn veroveringen met doffe ogen op doffe maandagen, steeds opnieuw niet voor even. De jonge fietser vroeg:

Ben ik voor even?

Nee, glimlachte de bijzonder mooie vrouw, en de jonge fietser glimlachte terug. Hij liep naar de vijver, waar hij zijn weerspiegeling helder zag. Hij zag zijn ouderdom, de rimpels om zijn lippen van het lachen, en deinsde terug, nog steeds glimlachend.

De jonge fietser zei: het is een mooie vijver, maar ze is niet van mij.

Duisternis kwam, schemer had verloren. De lede lijven gaven licht in het water. Donker viel, dus stapte de jonge fietser weer op zijn ros, razend richting het donkerder-worden in de verte. In zijn tanden een zelfverzonnen mes zonder heft, bliksem tussen zijn kaken, peper in zijn benen, zout in zijn wonden, zo spurtte de jonge fietser verder door het snelle donker, floot wat, en hervatte zijn tasten.